HERMAN COENEN


SPOREN VAN STILTE

mime aangepast

Mime

Gisteravond stond ik opeens te mimen op een muziekstuk van Bela Bartok. Ik had publiek, dat hielp. Opeens voelde ik haar ogen, haar volle vriendelijke, geamuseerde aandacht. Welkom te zijn in mijn rare creaties stimuleert, het werkt als een rode loper: ‘Ja, jij, kom maar met je lieve gekte.’

En het was er weer, als toen in dat bovenzaaltje met de docent en al die toekijkende, stil ademende deelnemers om me heen, het intense langzame bewegen, mijn ledematen die hun eigen, onbedachte parcours vormden, en ik die zelf vervuld was van verbazing om waar het heen ging, gedragen door een speelse vindingrijkheid van ver vóór deze middag.

Een weg die je zo bewust, langdurig en met grote toewijding hebt afgelegd, raakt niet verloren, hoe oud je ook wordt. Hij is in je gekropen, één met je geworden. En komt, als de atmosfeer gunstig is, zomaar weer tevoorschijn. Vanzelf. Daar hoeven geen speciale maatregelen voor worden getroffen. Hij is beschikbaar en ligt voor je klaar: ‘Loop hier maar, de richting is bekend, alles is vertrouwd.’

Is het een weg? Een spoor dat zich in je heeft ingekerfd en dat je automatisch volgt?

Er was niets automatisch in de bewegingen die ik gisteravond uitvoerde. Ik had dit wat ik nu deed, nog nooit gedaan. Het was nieuw, in elke seconde, het ontstond toen en daar. Deze muziek van Bartok kende ik niet. Het was alsof het Rondo, dat op tv werd uitgevoerd, en mijn lichaam met elkaar versmolten – samen een gloeiende lavastroom, zich voortstuwend door de tien minuten heen die het stuk duurde. Het was iets tussen de musici en mij, spelend in mijn lichaam, in. Ontastbaar, een ritme, zelfs ongrijpbaarder dan dat. Een onzichtbare, onhoorbare golfslag, geboren in diezelfde momenten, en tegelijk erfenis van vroeger die zich heeft losgemaakt van het vergeten, de erosie van de tijd.                                                 

Herman Coenen
16 september 2024


Glorierijke cellen

Wonderbaarlijk lichaam. Hoe je telkens weer opleeft, verrijst.

Ik zette mijn voeten, met de schaatsen eraan, op het wit uitgeslagen ijs. Nog even hield ik me met mijn handen vast aan de rechtopstaande kunststof opblaaskussens ernaast en liet toen los.
Van het ene moment op het andere was ik overgeleverd aan een gladheid waar geen enkel houvast was. En dat terwijl ik zeven maanden geleden hier met gemak over heen zweefde. Heel die vanzelfsprekende zekerheid was weg.

Mijn benen bibberden, ik voelde geen richting, geen samenhang, mijn lijf was niet van mij. Ternauwernood kon ik de ene voet voor de andere schuiven, met mijn armen wijd probeerde ik de lucht vast te pakken om mij voor vallen te behoeden. Zo waggelde ik de eerste ronde over de baan, trillend, zonder veel zeggenschap over mijn bewegingen.
Vijfentwintig ronden later stapte ik van het ijs, licht eufoor: ik kon het nog! Beetje bij beetje was het gevoel in mij teruggestroomd, het contact met het ijs, het glijden erover heen, de souplesse van de beweging, heen en weer gaand als een klokje hoog in een toren, ritmisch en licht als een danser. In mij verschenen weer de oude vergezichten over dichtgevroren rechte vaarten, wit berijpte rietpluimen en overvliegende ganzen. Krassende stilte, koude wind.

Verbazingwekkend lichaam. Binnen een uur bracht het me uit een onbehouwen, alle kanten uitslaand wapperen van ledematen die niets met elkaar van doen leken te hebben, tot een vloeiend, gracieus zwieren, één van top tot teen, een geheel waarin ogen, rug, armen, benen, voeten solidair bijdroegen, afgestemd op dat ene: glijden, daarheen.

De volmaaktheid die zich baan brak, ervoer ik misschien slechts enkele momenten, maar ze was er, onmiskenbaar en volledig, ze nestelde zich in mijn verenigde gemoed en gestel en is er nu, laat in de middag, nog. Ze heeft me weer eens laten proeven van de betovering die dit aardse medium in zich bergt en me telkens opnieuw verrast, me binnenleidend in een ruimte die meer verwant is aan zondoorschenen luchten dan aan dichte, zwaarwegende materie.

Herman Coenen
9 oktober 2024


Beweging, lichamelijkheid

Er schuilt een wonderlijke magie in het bewegen. Het brengt geschiedenis aan het licht, ervaringen die het lichaam heeft bewaard. En het is scheppend, laat een imaginaire wereld tot leven komen.

Natuurlijk, vanaf het eerste moment dat je er als fysiek wezen bent, zelfs in premature staat in de baarmoeder, beweeg je. De omgang met onze omgeving loopt via het bewegen. door te bewegen houden we  onszelf in leven. Tegelijk is er het niet-functionele bewegen: spelen. Vanaf onze vroegste dagen maakt ook dat deel uit van ons bestaan.

Als jongen met mijn broertje en onze vriendjes liep ik langs de straat op weg naar school te knikkeren. De glazen knikkers, door onze handen gelanceerd, achtervolgden elkaar in het gootje naast de stoep. We deden bokje springen, over elkaars gebogen rug heen, gleden ’s winters in volle vaart over de glanzende glijbaan die op de besneeuwde speelplaats van de school was uitgesleten. We trapten tegen een bal, deden fietsraces in de straten rond ons huis, schaatsten op een bevroren poel aan de voet van een steenberg met mijnafval buiten ons dorp.

Bewegen werd een activiteit op zich. Ik raakte verzot op het rijden op de racefiets, die ik als eerstejaars student kocht. Trok met een neef en een studievriend de Pyreneeën in, bekende cols uit de Tour de France op fietsen. Ik werd lid van een ijsclub waar ik schaatstraining kreeg. Jaren later zou ik driemaal aan de Elfstedentocht deelnemen, twee keer reed ik hem helemaal uit. Het was fascinerend te ervaren hoe je bij langere tochten of zware beklimmingen in een cadans kon komen die zijn eigen leven ging leiden, je droeg, je het gevoel gaf vleugels te hebben.

Maar al vroeg opende zich ook een ander spoor: het schrijven van gedichten. En ik ontdekte het plezier van het voordragen. Ik wilde mijn poëzie zelf bij de lezers brengen, als een verteller. Toen ik dat begon te doen, merkte ik de behoefte er mijn hele lichaam bij te gebruiken. Ik meldde me aan voor een cursus mime, wekelijks in een oefenzaaltje in de stad. Vond vervolgens een cursus mime aan de Amsterdamse zomeruniversiteit. En daar in Amsterdam bleek een heuse mime-opleiding te bestaan. Jammer, ik zat al tot over mijn oren in mijn eigen universitaire werk, maar ze hadden elke maandagavond een vooropleiding waar je in een groep elementaire dingen leerde. Die ging ik volgen, enkele jaren lang.

Tegelijk ontdekte ik dat in Frankrijk de mime een serieuze traditie was met zijn eigen leermeesters. Een aantal jaren trok ik in de zomer telkens voor een intensieve oefenweek naar een klein, actief centrum in de Cantal, een bergachtige streek ten Zuiden van Clermont-Ferrand. Het waren heerlijke dagen, ik leerde mijn lichaam kennen als nooit tevoren, de betoverende sfeer die zich in het langzame, bewuste bewegen door heel je wezen verspreidt en zich in de gezamenlijk bespeelde ruimte voortzet.

In mijn werk aan de universiteit begon het steeds meer te schuren en te wringen, er bouwde zich een conflict op in mijzelf. De poëzie en het bewegingstheater brachten een opstand teweeg tegenover de ijverige, plichtsgetrouwe hoofd-mens waartoe ik me had ontwikkeld. De ondoorgrondelijkheid van het lichaam, dat sinds mijn proefschrift over de fenomenologie van de lichamelijkheid (1979, promotor: Bernhard Waldenfels) het centrale thema in mijn onderzoek was geworden en dat ook in mijn onderwijs steeds duidelijker gestalte kreeg, legde zich onontkoombaar aan mij op.

De bodem voor het nieuwe besef dat zich in mij tevoorschijn worstelde, was een aantal jaren eerder al gelegd door mijn ervaringen in San Francisco waar ik samen met mijn gezin voor een onderzoeksjaar was neergestreken. Ik kwam in een nieuwe wereld terecht. Niet alleen leerde ik dank zij Anselm Strauss, onvergetelijke sympathieke leermeester, de methode van het kwalitatief onderzoek toepassen (ik nam meerdere dagen per week deel aan het leven op een school voor dove kinderen, wier bewegingsgedrag ik wilde waarnemen), ook maakte ik contact met het Boeddhisme en haar eeuwenoude meditatieve praktijk, haar cultuur van de stilte en de leegte. Verder ontmoette ik allerlei  lichaamsgeoriënteerde vormen van therapie zoals de bio-energetica van Alexander Lowen en de methode van lichamelijke bewustwording die door Moshe Feldenkrais in gang was gezet.

Deze invloeden werden nog versterkt door de groepstherapie bij psychiater Marc Nevejan, waar ik na mijn terugkeer in Nederland gedurende enkele jaren aan deelnam. Marc hield mij op indringende wijze spiegels voor en leverde inspiraties waar ik hem nog steeds dankbaar voor ben. Later werden we goede vrienden, tot aan zijn overlijden in 2011.

Ons lichaam is een wonderlijk medium. Het is het verbindingspunt waarin mijn eigen Zelf samenkomt met mijn medemensen, fysiek en geestelijk, met dieren, planten en alles wat leeft, met de aarde en de kosmos, met het onzichtbare. Het lichaam is bezielde materie, mysterieuze uiting van het oneindig bewustzijn, kruispunt van tijd en eeuwigheid.

In het samenleven van vandaag is de macht van de techniek tot grote hoogte gestegen. Rationele intelligentie heeft een enorm prestige, zozeer zelfs dat haar producten tot een heiligdom worden waaraan we onze autonomie geneigd zijn uit te leveren. Door haar krijgen we het idee, meester te zijn van onszelf en de hele schepping.
Maar we zijn en blijven lichamelijke wezens, verbonden met het levend geheel waarvan we deel zijn, bewogen door een bewustzijn dat onze intelligentie ver overstijgt.
Dat te beseffen dwingt ons tot bescheidenheid. Onze grootheid ligt ergens anders dan waar we haar vaak denken te vinden.

 

Scroll naar boven